🐶 Krijg een gratis proefpakket op maat van je hond

Je proefpakket is geleverd

Het recept van je hond staat klaar. Bestel het in een paar klikken opnieuw: eenmalig of als abonnement, wat jou het beste uitkomt.

Bestel opnieuw
Darmgezondheid

Alvleesklierontsteking (pancreatitis) bij je hond: signalen en voeding

Pancreatitis is een ontsteking van de alvleesklier die ernstig kan zijn. Bel je dierenarts bij braken, buikpijn of als je hond niet eet.

In het kort

Alvleesklierontsteking of pancreatitis is een ontsteking van de alvleesklier, het orgaan dat onder meer verteringssappen maakt, en kan bij je hond licht verlopen maar ook levensbedreigend zijn. Je dierenarts stelt het vast, behandelt en bepaalt wat je hond eet. Jij herkent de signalen en belt op tijd.

Signalen
niet eten, braken, zwakte en buikpijn, soms zichtbaar als bidhouding; bij een milde vorm vaak vager, zoals minder eetlust, sufheid of diarree (Merck, Cridge 2021).
Altijd naar de dierenarts
in ernstige gevallen kan pancreatitis leiden tot orgaanfalen en overlijden (Merck).
Risico
vette restjes, eten uit de vuilnisbak, overgewicht en bepaalde rassen zoals de dwergschnauzer en de yorkshireterriër (Lem 2008, Hess 1999, Merck).
Voeding
de dierenarts kiest meestal vetarme voeding, vaak een speciale voeding van de dierenarts (Merck, Tufts 2020).

Je hond braakt, laat het eten staan of staat ineens met de voorpoten laag en het achterwerk omhoog. Dat kan veel oorzaken hebben, en één daarvan is alvleesklierontsteking, ook wel pancreatitis genoemd. In deze gids lees je hoe je de signalen herkent, wanneer je je dierenarts belt, wat er in de praktijk gebeurt en hoe je samen met je dierenarts de kans op een nieuwe aanval kleiner maakt.

Wat is alvleesklierontsteking?

De alvleesklier maakt verteringsenzymen en hormonen; bij pancreatitis worden die enzymen al in de klier zelf actief en beginnen ze het eigen weefsel te verteren. Dat geeft een ontsteking, die van licht tot heel ernstig kan zijn.

De alvleesklier ligt in de buik, vlak bij de maag en het begin van de dunne darm. Het orgaan heeft twee taken. Het maakt enzymen die eiwitten, vetten en koolhydraten helpen verteren, en het maakt hormonen die de bloedsuiker regelen (MSD).

Normaal worden de verteringsenzymen pas actief in de darm. Bij pancreatitis gebeurt dat te vroeg, nog in de alvleesklier zelf. De enzymen beschadigen dan het eigen weefsel en er ontstaat een ontsteking (MSD).

Pancreatitis is de meest voorkomende aandoening van de alvleesklier bij honden en katten (MSD). Bij de meeste honden vindt de dierenarts geen duidelijke oorzaak (Merck, Tufts 2020). Je hebt het dus meestal niet "fout gedaan" als je hond het krijgt.

Acuut of chronisch: wat is het verschil?

Het verschil zit in de alvleesklier zelf, niet in hoe ziek je hond lijkt: bij chronische pancreatitis zijn er blijvende veranderingen in het weefsel. Denk aan ontstekingscellen, littekenweefsel en verlies van klierweefsel (Merck).

Acuut betekent dus niet automatisch ernstig, en chronisch niet automatisch mild. Beide vormen kunnen ernstig zijn (MSD). Een chronische vorm kan bovendien plots opflakkeren, wat dierenartsen een acute aanval bovenop chronische pancreatitis noemen (Merck, Cridge 2021).

Acute pancreatitisChronische pancreatitis
WatOntsteking zonder blijvende schade aan de alvleesklierOntsteking met blijvende veranderingen in de alvleesklier
BeginVaak plotsSluipend, met opflakkeringen
Typische signalenNiet eten, braken, zwakte, buikpijn, soms bidhoudingTerugkerende, vage maag-darmklachten, minder eetlust, sufheid
ErnstVan mild tot levensbedreigendKan ook ernstig zijn
VaststellenBloedtest op alvleesklierlipase en echoIdem; het verschil is met zekerheid alleen in weefsel te zien
Voeding achterafVaak tijdelijk vetarm, daarna soms terug naar de gewone voedingVaak langdurig vetarm, met controles

Bronnen bij de tabel: Merck, MSD, Cridge 2021, Tufts 2020.

Signalen: waar let je op?

Er is geen enkel signaal dat alleen bij pancreatitis hoort: de dierenarts heeft altijd onderzoek nodig. Ook een combinatie van signalen is niet kenmerkend genoeg om zelf de diagnose te stellen (Cridge 2021).

Bij een ernstige aanval zie je vaak dat je hond niet wil eten, braakt, zwak is, buikpijn heeft, uitdroogt en diarree krijgt (Merck, MSD). Weinig eetlust kan natuurlijk ook andere oorzaken hebben; daarover lees je meer in ons artikel over een hond die niet wil eten.

Buikpijn is niet altijd makkelijk te zien. Let op deze aanwijzingen:

  • Bidhouding: je hond legt voorpoten en borst laag op de grond en houdt het achterwerk omhoog (Merck, Cridge 2021).
  • Gevoelige buik: je hond verzet zich of trekt weg als je op de buik drukt of die aanraakt (Merck).
  • Misselijkheid: smakken, likken, kwijlen en boeren (Cridge 2021).

Pijn bij pancreatitis wordt vaak onderschat (Merck). Een hond die stil in de mand ligt, kan dus wel degelijk veel last hebben.

Een milde vorm geeft soms helemaal geen klachten, of alleen vage: wat minder eetlust, sufheid of diarree (Merck, MSD). Wil je meer weten over dunne ontlasting in het algemeen, lees dan ons artikel over diarree bij je hond. Bij chronische pancreatitis zie je vaak terugkerende, vage maag-darmklachten die steeds even weggaan en weer terugkomen (Cridge 2021).

Afwachten of bellen?

Omdat pancreatitis ernstig kan zijn, bel je bij twijfel liever een keer te veel. Deze rijen helpen je inschatten hoe snel je contact opneemt.

Afwachten
een volwassen hond die een keer overgeeft en daarna gewoon eet, drinkt en speelt, zonder buikpijn. Geef geen vette snacks of restjes en bel als het niet snel beter gaat. Een hond die zich normaal gedraagt, hoeft bij klachten korter dan 48 uur niet altijd meteen langs (Texas A&M). Had je hond al eens pancreatitis? Bel dan liever meteen.
Bel je dierenarts
bij braken of diarree langer dan 24 uur (Texas A&M), als je hond minder eet of suffer is dan normaal, bij terugkerende vage buikklachten of als je hond net een grote vette maaltijd, restjes of afval at (Cornell 2024).
Bel direct
bij herhaald of aanhoudend braken, niets eten, erg sloom of zwak zijn, buikpijn of bidhouding, tekenen van uitdroging, bloed in braaksel of ontlasting, en zeker als je hond al eerder pancreatitis had (Texas A&M, Merck).

Voor pups geldt een strengere grens: braakt of heeft een pup meer dan een of twee keer diarree, ga dan altijd naar de dierenarts, want pups drogen snel uit (Texas A&M).

Wie loopt meer risico?

Vaak is er geen duidelijke oorzaak, maar een paar factoren maken pancreatitis waarschijnlijker. Elke hond kan het krijgen, ook zonder een van deze factoren (Merck, Tufts 2020).

  • Vet of ongewoon eten: in een studie bij 198 honden met pancreatitis en 187 controlehonden was de kans op pancreatitis 13 keer zo groot bij honden die in de vuilnisbak hadden gezeten, 6 keer zo groot na ongewoon eten en 2,2 keer zo groot bij honden die de week ervoor of altijd restjes van tafel kregen (Lem 2008). Het gaat vooral om vet eten waar je hond niet aan gewend is (Tufts 2020). Vleesresten, jus en kaas kunnen braken, diarree of zelfs pancreatitis uitlokken (Cornell 2024).
  • Overgewicht: in twee studies verhoogde overgewicht het risico (Hess 1999, Lem 2008), en afvallen kan het risico mogelijk verkleinen (Tufts 2020). Twijfel je of je hond op gewicht is? Bekijk dan onze uitleg over een gezond gewicht per ras.
  • Rassen: dwergschnauzers zijn sterk oververtegenwoordigd, en ook yorkshireterriërs, cockerspaniëls, teckels, poedels en sledehonden krijgen het vaker (Merck). In een Amerikaanse studie naar 70 honden met dodelijke pancreatitis liepen yorkshireterriërs meer risico (Hess 1999).
  • Veel vet in het bloed: een sterk verhoogd triglyceridengehalte, meestal vanaf 500 mg/dl, is een risicofactor (Merck). Dwergschnauzers die pancreatitis hadden gehad, hadden 5 keer vaker een te hoog triglyceridengehalte dan dwergschnauzers zonder pancreatitis: 71% tegenover 33% (Xenoulis 2011).
  • Andere ziektes en ingrepen: de ziekte van Cushing, een zware klap zoals een verkeersongeval, een operatie of verdoving en sommige medicijnen (Merck). In de studie naar dodelijke pancreatitis ook suikerziekte, een te traag werkende schildklier en epilepsie (Hess 1999).

Eerlijk is eerlijk: veel honden eten vette voeding zonder ooit pancreatitis te krijgen, en veel honden met pancreatitis aten helemaal niet vet (Tufts 2018). Vet is dus een risicofactor, geen zekere oorzaak.

Hoe stelt de dierenarts het vast?

De dierenarts combineert je verhaal, het lichamelijk onderzoek, een bloedtest op alvleesklierlipase en beeldvorming zoals een echo. Er is geen enkele test die op zichzelf sluitend is (Cridge 2021).

Jouw verhaal telt. Vertel wat je hond de laatste dagen at, ook restjes van tafel of iets uit de vuilnisbak. Een voorgeschiedenis van verkeerd eten met braken en buikpijn kan op pancreatitis wijzen (Merck).

Bloedtest op alvleesklierlipase. Deze test (vaak cPLI of cPL genoemd) is de meest specifieke bloedtest voor pancreatitis en is ook gevoelig (Merck). Er bestaat ook een snelle test in de praktijk. Is die negatief, dan is pancreatitis zeer onwaarschijnlijk. Is die positief, dan laat de dierenarts de uitslag bevestigen met een labotest (Merck).

Echo van de buik. Een echo kan pancreatitis zichtbaar maken, maar de uitkomst hangt sterk af van de ervaring van wie de echo maakt (Merck, Cridge 2021).

Andere oorzaken uitsluiten. Soms maakt de dierenarts ook een röntgenfoto om andere oorzaken uit te sluiten (Merck).

Omdat geen test perfect is, legt de dierenarts alle stukjes naast elkaar (Cridge 2021). Het onderscheid tussen acuut en chronisch is met zekerheid alleen in weefsel te zien (Merck), en dat onderzoek gebeurt zelden (Cridge 2021).

Behandeling: wat doet de dierenarts?

Er is meestal geen middel dat de ontsteking zelf wegneemt: de dierenarts ondersteunt je hond zodat de alvleesklier kan herstellen. De zorg richt zich op comfort, vocht en het onder controle houden van braken en pijn (Tufts 2020, MSD).

Wat je kunt verwachten:

  • Infuus: ernstig zieke honden krijgen vocht via een infuus tegen uitdroging (Merck, MSD).
  • Pijnbestrijding: de dierenarts gaat ervan uit dat je hond buikpijn heeft en behandelt die (Merck).
  • Tegen misselijkheid en braken: daar zijn medicijnen voor (Merck, Tufts 2020).
  • Opname: soms blijft je hond een tijd in de kliniek voor nauwe opvolging (MSD).

Is er een oorzaak bekend, dan pakt de dierenarts die ook aan (MSD). Vroeg ingrijpen helpt complicaties te beperken, nog een reden om niet te lang te wachten (MSD).

De vooruitzichten hangen af van de ernst. Bij een milde vorm zijn ze goed, bij een ernstige vorm onzeker, en slecht als er complicaties zoals orgaanfalen optreden (MSD, Merck).

Geef je hond nooit zelf medicijnen, ook geen pijnstillers voor mensen: de dierenarts kiest wat je hond krijgt.

Voeding tijdens en na het herstel

Voeding behandelt pancreatitis niet, maar de dierenarts gebruikt vetarme en licht verteerbare voeding als onderdeel van het herstel. Wat, hoeveel en hoe vaak je hond eet, bepaalt de dierenarts.

Tijdens de aanval

Vroeger lieten dierenartsen honden met pancreatitis dagenlang nuchter. Dat advies is veranderd. Nu raden de handboeken aan om eten alleen in te houden als een hond ondanks medicijnen tegen braken blijft overgeven (Merck, MSD). Voeding via de darm, dus gewoon eten, geldt als beter dan voeding via een infuus (Merck, Jensen & Chan 2014).

Een kleine terugblikstudie bij 34 honden ondersteunt dat. Honden die binnen 48 uur na opname weer voeding kregen, aten sneller weer zelf (na 2,1 tegenover 2,7 dagen) en hadden minder vaak maag-darmklachten (26% tegenover 60%) (Harris 2017). Omdat het om een kleine studie gaat, is het een aanwijzing en geen hard bewijs. Ga thuis dus niet zelf experimenteren met vasten of juist extra eten: volg wat de dierenarts zegt.

Na de aanval

Bij een milde vorm schakelen honden meestal over op vetarme voeding en vetarme snacks (MSD). Tijdens het eerste herstel gebruikt de dierenarts meestal speciale vetarme dierenartsvoeding (Tufts 2020). Voeding met minder dan 20 gram vet per 1.000 kcal is volgens Merck belangrijk voor een goede afloop.

Hoe lang dat nodig is, verschilt per hond. Sommige honden kunnen na volledig herstel terug naar hun gewone voeding. Andere hebben blijvend vetarme dierenartsvoeding nodig, en een klein deel krijgt zelfgemaakte maaltijden met zo weinig mogelijk vet, opgesteld met een specialist (Tufts 2020). Bij terugkerende aanvallen zijn meestal extra onderzoek en langdurig vetarme voeding nodig (Tufts 2020).

Heeft je dierenarts speciale voeding voorgeschreven? Hou je daaraan en ruil die niet zelf in.

Vet op het etiket lezen

Het vetpercentage op een verpakking (ruw vet) gaat over gewicht, niet over calorieën. Twee soorten voeding met hetzelfde percentage kunnen daardoor heel anders uitvallen (Tufts 2018). Daarom rekenen dierenartsen in gram vet per 1.000 kcal (Merck).

Een rekenvoorbeeld: voeding met 10% ruw vet en 3.500 kcal per kilo bevat 100 gram vet per kilo. Deel je 100 door 3,5, dan kom je op ongeveer 29 gram vet per 1.000 kcal. Dat ligt ruim boven de 20 gram die Merck noemt, ook al klinkt 10% misschien bescheiden. Vraag je dierenarts welke voeding en welk vetgehalte bij jouw hond passen.

Heeft je hond geen pancreatitis, maar wel vaker een gevoelige buik? Lees dan onze gids over voeding bij een gevoelige maag en darmen.

Herhaling beperken: wat kun je zelf doen?

Een hond die pancreatitis heeft gehad, kan opnieuw een aanval krijgen, dus maak samen met je dierenarts een plan. Thuis kun je de bekende risicofactoren zo klein mogelijk houden (Tufts 2020).

  • Geen vette restjes: geef geen restjes van tafel, ook niet bij feestjes, en vraag gasten om je hond niets toe te stoppen (Cornell 2024, Texas A&M, Lem 2008).
  • Vuilnisbak dicht: zet afval en etensresten buiten bereik, ook tijdens het koken en opruimen (Lem 2008, Tufts 2020).
  • Gezond gewicht: overgewicht is een risicofactor en afvallen kan het risico mogelijk verkleinen, dus weeg je hond geregeld (Hess 1999, Lem 2008, Tufts 2020).
  • Snacks tellen mee: kies vetarme snacks in overleg met je dierenarts (MSD).
  • Niet zomaar wisselen: blijf bij de voeding die je dierenarts aanraadt en overleg voor je iets verandert.
  • Controles: laat bloed controleren als de dierenarts dat vraagt, zeker bij een te hoog triglyceridengehalte (Tufts 2020); bij chronische pancreatitis kijkt de dierenarts ook naar suikerziekte (MSD).

Misschien heb je gehoord dat vooral varkensvet pancreatitis veroorzaakt. Daar is volgens Tufts 2020 geen enkel bewijs voor. Waarschijnlijk komt het idee voort uit vette restjes varkensvlees van tafel. Het gaat dus om vet en restjes in het algemeen, niet om één soort vlees.

Bronnen

  1. Merck Veterinary Manual: Pancreatitis in Dogs and Cats (Steiner, 2025)
  2. MSD Veterinary Manual (voor baasjes): Pancreatitis and Other Disorders of the Pancreas in Dogs (Steiner, 2024)
  3. Cridge e.a. (2021). Advances in the diagnosis of acute pancreatitis in dogs. J Vet Intern Med 35(6):2572-2587
  4. Lem e.a. (2008). Associations between dietary factors and pancreatitis in dogs. J Am Vet Med Assoc 233(9):1425-31
  5. Hess e.a. (1999). Evaluation of risk factors for fatal acute pancreatitis in dogs. J Am Vet Med Assoc 214(1):46-51
  6. Xenoulis e.a. (2011). Serum triglyceride concentrations in Miniature Schnauzers with and without a history of probable pancreatitis. J Vet Intern Med 25(1):20-5
  7. Harris e.a. (2017). Retrospective evaluation of the impact of early enteral nutrition on clinical outcomes in dogs with pancreatitis: 34 cases. J Vet Emerg Crit Care 27(4):425-433
  8. Jensen & Chan (2014). Nutritional management of acute pancreatitis in dogs and cats. J Vet Emerg Crit Care 24(3):240-50
  9. Tufts Petfoodology: Pancreatitis, A Real Pain in the Abdomen (Heinze, 2020)
  10. Tufts Petfoodology: The Skinny on Fat, Part 1 (Heinze, 2018)
  11. Cornell Riney Canine Health Center: Holiday hazards for dogs (2024)
  12. Texas A&M School of Veterinary Medicine, Pet Talk: When to see a veterinarian for a dog's stomach ache (2022)

Veelgestelde vragen

Mag mijn hond met pancreatitis niet eten?

Vroeger lieten dierenartsen honden met pancreatitis dagenlang nuchter, maar nu raden Merck en MSD dat alleen aan als je hond ondanks medicijnen tegen braken blijft overgeven. Voeding via de darm heeft de voorkeur boven een infuus. De dierenarts bepaalt hoeveel, wat en wanneer je hond weer mag eten.

Mag mijn hond na pancreatitis nog snacks?

Ja, maar kies alleen vetarme snacks en overleg dit met je dierenarts, zo meldt MSD. Geef geen restjes van tafel, want vette voeding kan volgens Cornell braken, diarree of zelfs pancreatitis uitlokken. Snacks tellen mee in de totale hoeveelheid vet die je hond binnenkrijgt.

Kan pancreatitis bij een hond terugkomen?

Ja, chronische pancreatitis kan volgens Merck ook plots opflakkeren. Bij terugkerende aanvallen raadt Tufts extra onderzoek en langdurig vetarm voer aan. Daarom is het belangrijk om samen met je dierenarts een plan te maken om een nieuwe aanval te beperken.

Welke rassen krijgen vaker pancreatitis?

Dwergschnauzers zijn sterk oververtegenwoordigd, en ook yorkshireterriërs, cockerspaniëls, teckels, poedels en sledehonden komen vaker voor, aldus Merck. In een studie van Hess (1999) naar dodelijke pancreatitis liepen yorkshireterriërs extra risico. Toch kan elke hond pancreatitis krijgen.

Moet mijn hond na pancreatitis altijd dieetvoer eten?

Niet altijd. Sommige honden kunnen na volledig herstel terug naar hun gewone voer, andere hebben blijvend een vetarm dieetvoer nodig, zo meldt Tufts (2020). De dierenarts beslist dit op basis van het herstel en eventuele terugkerende klachten.

Hond in het gras naast een zak Pure Bob

benieuwd?

Ontdek welke maaltijd bij jouw hond past

2 minuten vragen, daarna een gratis proefpakket op maat.

Start de quiz